- AANPASSING WETTELIJKE GEMEENSCHAP VAN GOEDEREN

Nieuwsbrief | 2012 | Februari

Per 1 januari 2012 is het huwelijksvermogensrecht gewijzigd. Oorspronkelijk zou de voornaamste wijziging zijn dat het wettelijk systeem niet meer de gemeenschap van goederen zou zijn. Erfenissen en schenkingen zouden niet langer in de gemeenschap van goederen vallen. In de uiteindelijke wet is de gemeenschap van goederen echter gehandhaafd.
Kort samengevat zijn de voornaamste wijzigingen:

Degene, die de algehele gemeenschap van goederen niet wilt, moet huwelijkse voorwaarden maken.
Bij het opmaken van huwelijkse voorwaarden voor het aangaan van een huwelijk houdt de notaris er rekening mee dat huwelijkse voorwaarden lange tijd mee kunnen gaan.
Toch blijkt in de praktijk dat weleens met name bij echtscheiding een uitleg van de opgemaakte huwelijkse voorwaarden nodig is. Het is dan belangrijk om te achterhalen wat de aanstaande echtgenoten destijds hebben willen regelen. Een mogelijke oplossing kan worden gevonden door in de huwelijkse voorwaarden te vermelden wat de reden voor het opmaken van de huwelijkse voorwaarden is.
Na verloop van tijd kunnen de maatschappelijke omstandigheden echter wijzigen. Er kunnen kinderen komen, er wordt minder of meer gewerkt, er wordt een eigen bedrijf gestart, er is een huis gekocht, men verhuist naar het buitenland. Deze gewijzigde omstandigheden kunnen aanleiding geven tot het aanpassen van de huwelijkse voorwaarden. Om die reden is het zinvol om regelmatig, bijvoorbeeld iedere vijf jaar, net als bij testamenten, de huwelijkse voorwaarden opnieuw te bekijken en zonodig aan te passen aan de eventuele nieuwe wensen en behoeften.
Doordat de rechterlijke goedkeuring niet meer is vereist, is de wijziging van huwelijkse voorwaarden goedkoper geworden en gemakkelijker te realiseren.

Veel huwelijkse voorwaarden bevatten een periodiek (jaarlijks) verrekenbeding. Dit verrekenbeding houdt in dat echtgenoten na verloop van ieder kalenderjaar moeten uitrekenen welk deel van hun arbeidsinkomen niet is opgegaan aan de gezamenlijke huishouding. Dit gespaarde bedrag komt de echtgenoten ieder voor de helft toe. Als gevolg hiervan dient de echtgenoot, die het meeste van zijn arbeidsinkomen heeft gespaard, een uitkering te doen aan de andere echtgenoot.
Heel vaak blijft deze verrekening achterwege met alle gevolgen van dien bij een eventuele echtscheiding. Voor verrekenbedingen geldt eveneens de beleggingsleer. Heeft tijdens het huwelijk de verrekening niet plaatsgevonden, dan wordt alles wat tijdens het huwelijk is verkregen geacht een belegging te zijn van de overgespaarde inkomsten.
Het verdient aanbeveling ook als in het verleden deze verrekening niet heeft plaatsgevonden om achteraf alsnog uitvoering te geven aan deze verrekeningen. Als men niet jaarlijks wilt verrekenen, kan men ook iedere vijf jaar achteraf het te verrekenen bedrag vaststellen. Wanneer dit niet gebeurd is en men gaat uit elkaar, heeft men het niet meer zelf in de hand, maar is overgeleverd aan de echtscheidingsadvocaat.
Een andere mogelijkheid is om het jaarlijks verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden te schrappen.

Wanneer echtgenoten buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd zijn zonder enig verrekenbeding, is het vaak goed om iedere vijf jaar vast te leggen waar beider privé-vermogen uit bestaat.